Daniel Binnekamp

Drawn circles were used up by the drops pressed on the water and meanwhile the wind blew my hands, my fingers, my stiff arms towards the bank of the river.

This is the first line of the poetic text of Daniel, source to his drawings, source to his poetic soul, source to his tender field of love. The text is meant to be whispered into our ears.

Getekende cirkels werden door de druppels op het water gedrukt en ondertussen blies de wind mijn handen, mijn vingers, mijn stramme armen richting de oeverbank.

De groene strepen kusten en streelden mij, argwanend, hartstochtelijk, twijfelend verliefd wordend.

“ik ben een beschermer” uitte ik,

“een vriend, een danser”,

maar mijn woorden werden opgetild door een woedende wind en in stukken gesneden door de bladeren. Daartussen zag ik ze liggen, tussen wind en blad, bloedeloos, maar met zekerheid kapot.

Mijn benen, mijn voeten, ze werden omhuld door het spiegelende wateroppervlak, ze broken een stilte, ze broken een heilige sluier, een ongeschreven regel Ze broken een belofte tussen lucht en water, tussen wolk en modder.

Kalm klam wordend waadde ik verder, het riet doelmatig naderend. Daar schoten plots mijn armen hoog de lucht in, mijn vingers werden groen, mijn polsen werden smaller en kregen vluchtende nerven, terwijl mijn modderige tenen de aarde in vlogen, begonnen te woekeren, te wortelen, ze begonnen me vast te zetten Ik herinnerde me hoe het was om ongebonden te zijn, hoe het was om te zweven, te kruipen, te struinen, te rennen,  te vallen.  Nu kon ik enkel buigen.

En dus boog ik. Ik boog dieper dan ik ooit gebogen had en werd herenigd met het water, waar ik snel een kus op drukte  voor ik overeind werd geblazen en dit herhaalde ik tot ik niet meer wist waarom ik het deed.

De herinnering van mijn mensenlichaam zweefde steeds verder de lucht in en bleef op een plek hangen waar ik hem nauwelijks herkende. Enkel als de wind woedend woei en ik brekend en krakend boog zag ik hem dansen als een vogel, een vlinder, een blad, en dan verlangde ik. ik verlangde dieper dan ik ooit had verlangd terug naar mijn vingers, mijn nagels, het stampende dreunen als ik rende, hoe het voelde om gras onder mijn zolen te hebben en hoe ik madeliefjes tussen mijn tenen klemde en ontwortelde.

En dan huilde ik. Dauwdruppels verzamelden zich op mijn, tot bladeren gedoopte, vingertoppen en vielen dan zalig naar beneden, zíj vielen, zíj vlogen, zíj waren iets dat ik maakte en zíj waren voor een onmogelijk, oneerlijk moment vrijer dan ik ooit weer zou zijn. Ik huilde dieper dan ik ooit gehuild had, ik snikte, schokte, sidderde, ik maakte cirkels op het water en ik kon het niet meer, ik wilde los zijn, vrij als mijn tranen, vrij als de lucht, als het water De zwevende herinnering kwam met een klap tegen me aan, en alsof we oude geliefden waren die elkaar plotseling tegen het lijf liepen koesterde ik hem, omhelste ik hem, zo goed als ik dat kon met mijn stijve lichaam, mijn enkel buigende takkenlichaam, mijn dunne, bladrijke stengellichaam. En hij koesterde mij, zo goed als dat hij dat kon als enkel zwevende droom, als iets te zware wolk, als twijfelende hagelstorm.

En ik herinnerde me

De zon op mijn schouders

Mijn vingers die door zijn haar streken

Wildbloemen naast het land

Zijn baard tegen mijn wang

Rennen naar de zee en vallen door de golven

Mijn benen en zijn benen, ineengestrengeld als een klimopstreng

De geur van een dennebos in de zomer

Mijn mond die zijn tranen wegkustte

Warme broodjes, vers uit de oven

Dekens die overbodig waren geraakt omdat we elkaar zo innig verwarmden

Zand tussen mijn nagels

Hoe het voelde om hem voor het eerst te zoenen

Het breken van een arm

Het breken van een hart

Het verlangen naar ongevoel

Hoe graag ik weer verliefd wilde zijn, al was het maar voor een uurtje

De beelden schoten tegen me aan en berroerden mijn met gras begroeide hart, woeien haar naakt, bloedend kloppend, nat van de ochtend, kleverig als honing. Bijna, bijna, kon ik mijn armen los-trekken uit het blad, maar toen ging de wind liggen en nam hem met zich mee. Mijn kruin werd verlangend meegetrokken en boog vol verdriet, met opgelegde nederigheid naar het water toe. Onder een oorverdovend gesuis verdween de wind achter de boomrand, en strekten mijn handen zich weer naar de wolken uit. Ik trilde vol afwachting, hopend op een herfststorm, minstrelend om mijn uiteindelijke breken.

En toen dat gebeurde was ik er niet klaar voor. De dag was zongevuld, en een onvoorziene storm viel met een donderslag uit de lucht Ik had nog nooit zo krakend en brekend gebogen, het werd te veel voor me, ik werd overweldigd Plots was daar mijn herinnering, hij wierp zich aan mijn voeten en wroette mijn wortels los en hij trok, hij trok me wakker, ineens boog ik niet, ik brak, en mijn armen werden geboren. En mijn benen werden geboren. En ik had weer een navel En mijn herinnering smeekte me, kom mee, ren, spring, dans door het veld, pluk bloemen, maar doe het snel want de storm gaat zodadelijk weer liggen. En dus rende ik, ik rende sneller dan ik ooit gerend had. En op dat moment was ik vrij, zo vrij als mijn tranen, zo vrij als de vogel, als het blad

En ik voelde

Zand tussen mijn nagels

De wind die langs mijn oren raasde

Nat gras onder mijn zolen

En ik zweefde. En ik vloog. En ik struinde. En ik dreunde. En ik viel op de grond en zag de wolken breken en de zon scheen op mijn schouders

Ik sloot mijn ogen en vulde mijn longen mijn pasgeboren longen, met het blauw van de hemel. .